Pleitnota wrakingszitting 6 februari 2015 Den Haag

Onder protest wordt deze pleitnota voorgelezen. Dit omdat in strijd met artikel 6 EVRM en de Nederlandse grondwet de raadsheren van het gerechtshof in Amsterdam in het geheim en achter de rug van Van den Ham, waardoor Van den Ham niet kon reageren op de wrakingprocedure in Amsterdam, hebben besloten de wraking in den Haag te laten behandelen. Van den Ham heeft de wrakingskamer Amsterdam op 9 december 2014 schriftelijk verzocht, gelet op de slechte financiële situatie van Van den Ham, om deze wrakingprocedure alsnog in Amsterdam te laten behandelen al dan niet met Haagse raadsheren. Daarop is geen reactie gekomen.

De weigering van het hof de nevenfuncties van de raadsheren ter zitting op te geven, is in strijd met het beginsel van de onpartijdigheid van de rechters volgens het bepaalde in artikel 6 EVRM. De vraag van Van den Ham om de rechters om hun nevenfuncties te vragen is gerezen nadat Van den Ham zijn vertrouwen in zijn advocaat had opgezegd en dat Van den Ham daarna zelf de zaak moet behandelen. Voorzitter mr. L. A. J. Dun deelde Van den Ham mede, dat hij het internet had kunnen raadplegen inzake de nevenfuncties van de raadsheren. Van den Ham heeft daarop de voorzitter  geantwoord dat dat onmogelijk was, omdat hij de namen niet wist van de raadsheren vanwege het feit dat hij geen enkel document heeft ontvangen van zijn toenmalige advocaat waar de namen van raadsheren op staan. Het is ook niet besproken door de advocaat en het was dan ook niet mogelijk internet daarover te raadplegen.

Het kan Van den Ham niet worden aangerekend, dat hij van het een en ander niet op de hoogte was. Van den Ham had zijn zaak uit handen gegeven aan een door belastinggeld, door middel van een toevoeging, betaalde gemachtigde die niet alleen haar werk niet deed, maar ook nog eens alles op alles heeft gezet, om  een volstrekt ordeloze, wetteloze toestand te creëren in onderhavige procedure ten voordele van de tegenpartij Stichting Stadgenoot. Van den Ham stelt overigens dat het hof hem die informatie ter zitting zo bij zo niet geweigerd had mogen worden. Dit gelet op artikel 94 van de grondwet én daarboven op artikel 6 EVRM waar is bepaald, dat een ieder het recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. De rechten die in deze artikelen liggen verankerd, moeten ook voor Van den Ham gelden en mogen door het hof niet worden geschonden.
Van den Ham heeft op de zitting op 5 december 2014 op niet mis te verstane wijze kenbaar gemaakt, dat hij geen vertrouwen meer had in zijn advocaat mevrouw Meijer vanwege het opzettelijk creëren van wanorde in de zaak van Van den Ham ten voordele van de tegenpartij Stichting Stadgenoot. Voorzitter mr. Dun reageerde, nadat Van den Ham zijn advocaat van collusie beschuldigde nog met: ‘U zegt nogal wat’.

Elke rechter of raadsheer weet, of hoort althans te weten, dat het bepaalde in artikel 6 EVRM, dat een ieder in het bijzonder het recht heeft, zich zelf te verdedigen of daarbij bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze.
Maar raadsheer mr. Dun probeerde herhaaldelijk mr. Meijer aan Van den Ham op te dringen terwijl Van den Ham Meijer niet wilde als advocaat. Datzelfde geldt voor de andere door Van den Ham gewraakte rechters mr. Kleene-Eijk en mr. Akkaya, want geen van de rechters heeft ingegrepen om aan al dat aan-  en opdringen een einde te maken, terwijl dat volgens het bepaalde in art. 6 EVRM niet is toegestaan.
Daarmee toonden de 3 raadsheren nadrukkelijk aan, dat zij er belangen bij hebben dat mr. Meijer namens Van den Ham het woord zou voeren, alsof zij de advocaat is van
Van den Ham, zodat ze zou door kunnen gaan de zaak voor Van den Ham nog meer te vernietigen en eigenlijk uitsluitend te blijven zitten voor de belangen voor Stichting Stadgenoot.

Het Hof ging, nadat Van den Ham had gewraakt, domweg door met de zitting en minachtte en vernederde Van den Ham, door hem te negeren en door te gaan met de andere partij. Van den Ham heeft zelfs zijn stem moeten verheffen en het Hof luid toe moeten roepen, 'ik heb u gewraakt, ik heb u gewraakt, hallo, ik heb u gewraakt, u mag hier niet mee doorgaan!’ De raadsheren deden op dat moment alsof Van den Ham niets had gezegd en niet eens bestond.

2.
De raadsheren deden extreem bot en maakten zich schuldig aan het vernederen en minachten van Van den Ham. Op dat moment voelde Van den Ham zich niet alleen vernederd, maar ook hulpeloos tegenover het Gerechtshof en Stichting Stadgenoot. Van den Ham had toen een reëel gevoel dat ongeacht wat Van den Ham in de zaak zou inbrengen, al bij voorbaat voor de raadsheren niet van belang zou zijn. Dat reële gevoel kan alleen worden weggenomen, als de drie raadsheren door middel van deze wraking van de zaak worden afgehaald.
Van den Ham is zoals hij ook al ter zitting aangaf, in de aanloop naar de zitting op 5 december 2014, door Stichting Stadgenoot en haar handlangers onophoudelijk en intensief geterroriseerd, dat betreft o.a. het stalkgedrag  van meerdere gemeentepsychiaters, die in opdracht van Stadgenoot Van den Ham heftig lastigvallen en hem op een onmenselijke wijze ernstig  bedreigen met psychische dwangverpleging. In een andere rechtszaak (zaaknummer 3252250 KK 14-1169), waar Stadgenoot misbruik maakte van het recht, door die rechtszaak op valse gronden tegen Van den Ham aan te spannen,  heeft zelfs een rechter, mr. S.G. Ellerbroek, bevolen Van den Ham met rust te laten om die rechtszaak voor te kunnen bereiden.
Dat met rust laten is absoluut niet gebeurd en Van den Ham kon zich daardoor niet voorbereiden.

Dat Stadgenoot groot belang heeft de voormalige advocaat van Van den Ham,
mr. Meijer, de advocaat van Van den Ham te laten blijven vanwege de ‘fijne’ samenwerking, is blijkbaar doorgedrongen tot meerdere secties  van de rechtspraak.

Op 20 december 2014, ontving Van den Ham een beslissing van verwijzing  van de wrakingkamer van het gerechtshof te Amsterdam. Nu waren het niet de 3 raadheren die Van den Ham niet vertrouwt en dus daarom door hem gewraakt zijn. Nu waren het nota bene de 3 raadsheren van de wrakingkamer van het gerechtshof Amsterdam, die hun partijdigheid niet onder stoelen of banken steken. Door mr. Hoek, mr. Van der Ouderaa en mr. Kortenhorst met als griffier mr. Lok, wordt advocaat mr. Meijer in dat schrijven, 2 weken nadat Van den Ham het vertrouwen in mr. Meijer had opgezegd én nadat zij zich, na heftig aandringen van Van den Ham, schriftelijk had ontrokken, ook hier weer in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM, nog steeds als de advocaat van Van den Ham benoemd.

Bovendien wordt ook nog eens medegedeeld in dat schrijven van die raadsheren, dat het betreffende schrijven ook naar advocaat Meijer is toegezonden, zodat mr. Meijer nog meer schade in de zaak van Van den Ham, ten voordele van de tegenpartij kan aanrichten dan dat zij al aangericht heeft.   
Gelet op de bovenstaande feiten heeft deze procedure, door opzettelijk zo te handelen door de gewraakte raadsheren alles weg van een showproces, want het hiervoor vermelde kán alleen bij een showproces waar bij voorbaat de beslissing al vaststaat.
Stalin heeft zich beroemd gemaakt met zulk soort showprocessen, waarin de aangeklaagde uitsluitend zijn schuld moest bekennen en zijn liefde voor de grote lijder moest opbiechten, met dit verschil, dat nu Van den Ham de liefde moet verklaren aan de semioverheid-  woningcorporatie Stadgenoot. De partijdigheid van tenminste 6 raadsheren is daarmee aangetoond.     

De rechters wilden de zitting niet verdagen, terwijl Van den Ham door de omstandigheden gedwongen was het vertrouwen in advocaat Meijer op te zeggen. De verantwoordelijkheid voor de afhandeling van de zaak lag vanaf dat moment volledig op de schouders van Van den Ham.
De wrakingrechters wilden niet begrijpen, dat tot dat moment advocaat Meijer volledig toevertrouwt en belast was met de behandeling van de zaak.  Meijer heeft zelfs ter zitting gezegd, dat ze verder zou zwijgen in deze zaak. Ook zij heeft daarmee laten zien, dat de zaak van Van den Ham tegen Stadgenoot een showproces is.
Toen Van den Ham zelf op de zitting startte met zijn verdediging, moest Van den Ham volgens art.6 EVRM over alle faciliteiten, middelen en tijd beschikken om de zaak op basis van de principes van eerlijkheid en onafhankelijkheid te kunnen voeren.

3.
Van den Ham heeft niet eens alle documenten van Meijer gekregen. Bijvoorbeeld: Na aandringen van Van den Ham, kreeg hij de dagvaarding pas na de zitting. Daardoor kon Van den ham de zaak op de zitting, nadat het vertrouwen in Meijer opgezegd was, niet zonder uitstel bepleiten. Van den Ham heeft de avond voor de zitting d.d. 4 december 2014 middels een pdf bestand per email een flut- pleitnota van mr. B. G. Meijer gekregen met daarbij de mededeling, dat Van den Ham als hij daarover nog vragen had, mr. Meijer de volgende dag kon bellen of mailen. Voor alle duidelijkheid, dat was de dag van de rechtszitting!  
Mr. Meijer heeft Van den Ham getracht te misleiden door in dat zelfde begeleidende schrijven ook nog  eens te vermelden ‘ik zal aanstaande maandag (drie dagen na de rechtszitting dus) tussen 10.45 uur en 11.00 uur op het gerechtshof aanwezig zijn’. Hoezo heeft Van den Ham zich voldoende kunnen voorbereiden? Er is tot het laatste moment getracht absolute chaos te scheppen in de zaak van Van den Ham en hem te misleiden ten voordele van Stichting Stadgenoot. Dat geld dus ook inzake de datum van de rechtszitting! Op basis van al deze feiten, gelet op de basisbepaling van ar.t 6 EVRM dat een gerechtelijke procedure eerlijk en onafhankelijk moet verlopen en dat de partijen in de zaak alle middelen en over voldoende tijd moet kunnen beschikken, was een uitstel een absolute vereiste op dat moment.

Ondanks de hierboven beschreven feiten en gelet op het grote belang dat voor Van den Ham in de desbetreffende zaak speelt, hebben de 3 raadsheren ter zitting en later ook nog eens weer drie andere raadsheren schriftelijk aangedrongen dat ondanks het opzeggen van het vertrouwen in advocaat Meijer door Van den Ham, mr. Meijer op de zaak van Van den Ham moest blijven. Daarmee is de partijdigheid van 6 raadsheren nadrukkelijk vastgesteld.
Al deze rechters maken zich schuldig aan grove schendingen van de mensenrechten van Van den Ham.

Nadat rechter Dun ter zitting aan Stadgenoot vroeg wat zij van het verdagen van de zitting vond, gaf Stadgenoot aan door te willen gaan met advocaat Meijer en werd Van den Ham opgezadeld met een circus. Ze wilden per se doordrukken met advocaat Meijer.  
Van den Ham mag niet verweten worden dat hij het recht op de basis rechten opeist, die vastgelegd zijn in art 6 EVRM. De rechters hebben nadrukkelijk geweigerd art. 6 EVRM toe te passen om uitstel te geven en ook nog eens een advocaat in strijd met de nadrukkelijke wil van Van den Ham aan hem opgedrongen wat ook, in het bijzonder, zoals dat in artikel 6 EVRM staat vermeld en ligt verankerd, niet is toegestaan.  
In de brief van 14 januari 2015 van de advocaat van Stadgenoot, mr. Polle, is het verwijt aan het adres van Van den Ham, dat Van den Ham uitstel van de zitting eiste.
Van den Ham staat op het standpunt, dat het verwijt van Stadgenoot aan het verkeerde adres is gericht. Het is niet Van den ham die het EVRM heeft opgesteld en ook nog namens Nederland heeft getekend. Het is ook niet Van den Ham die in artikel 6 EVRM heeft opgenomen, dat de gedaagde partij in een rechtszaak over voldoende tijd en faciliteiten moet kunnen beschikken om zijn verdediging te kunnen voeren om daarmee de eerlijkheid van de procedure te kunnen garanderen.
Op de zelfde manier zou Stadgenoot Van den Ham kunnen verwijten dat Van den Ham uitsluitend, als het stoplicht op groen staat de straat over steekt en weigert over te steken als het licht op rood staat. Zo is de regel. En regels, inclusief de regels van het EVRM, moeten gerespecteerd worden, ongeacht of Stichting Stadgenoot of de raadsheren daarmee problemen hebben. 

Inzake de weigering van het verzoek om beeld en geluidsopnamen te maken hebben de 3 rechters ook niet voldaan aan de basis bepaling van het EVRM, openbaarheid van de rechtszittingen.
Exclusief van de personen die de directe belanghebbenden in de desbetreffende rechtszaak zijn, konden alleen nog de personen, die direct door die belanghebbende partijen in de zaak geïnformeerd waren, weten dat de zitting op 5 december gehouden zou worden aanwezig zijn. Het gerechtshof Amsterdam heeft niet ergens, bijv. op officiële site of in de krant, maar ook niet op de beeldschermen in het gebouw van het gerechtshof, de zitting voor 5 december aangekondigd.

4.
Daarom is de opmerking van de voorzitter van het hof, dat de zitting openbaar is en dat iedereen kon komen cynisch en in strijd met het artikel 6 EVRM en die opmerking is door hem gebruikt, om de door hem ingestelde censuur zogenaamd te motiveren.
Voor de zitting heeft een journalist gevraagd om de zitting te kunnen opnemen.
De voormalige advocaat van Van den Ham, mevrouw Meijer, heeft verwarring gezaaid door middel van haar mail (laat op de dag) van 4 december 2014, waarin zij beweerde dat de zitting op maandag 8 december gehouden zou worden. 
Aan de desbetreffende journalist is voor de zitting door de persvoorlichter meegedeeld, dat de rechters hun weigering van het maken van video-opnames van de zitting bij de start van de rechtszitting zouden motiveren, maar dat is bij de start van de zitting niet gebeurd.   
Pas na de schorsing, en pas nadat de journalist ging protesteren, ging voorzitter mr. Dun zijn beslissing om censuur te plegen motiveren. Omdat Stadgenoot tegen video opnames was en omdat zogenaamd iedereen naar die rechtszitting kon komen, was de openbaarheid van de zitting ondanks het verbod op de video opnames niet geschonden volgens de voorzitter.  
De advocaat van Stadgenoot mr. Polle, die in feite ook de advocaat is van de 3 raadsheren die gewraakt zijn, heeft in zijn brief van 14 januari 2014 aangegeven dat van den ham ‘in het geniep geluidsopnamen heeft gemaakt’. In essentie heeft het gerechtshof Den Haag de gelegenheid aan Stadgenoot gegeven, door Stadgenoot te betrekken in de wrakingprocedure, om Van den Ham te pogen zwart te maken en die gelegenheid is door Stadgenoot door middel van die brief gebruikt.
De wraking is een conflict tussen Van den Ham en de gewraakte rechters en niet met Stadgenoot. Van den Ham is niet bekent met zulke praktijken.

Zowel Nederland als Turkije zijn leden van de raad van Europa en dus moeten dezelfde mensenrechten gelden voor beide landen, maar blijkbaar niet volgens Nederland. Daarmee wordt aangetoond dat het Gerechtshof Amsterdam, net zoals het gerechtshof in Turkije, door middel van het plegen van censuur in ernstige mate de mensenrechten schenden. Daarmee word ook aangetoond, dat zij ook geen behoefte hebben aan pottenkijkers die getuigen kunnen zijn van de door hun ingestelde censuur en het door hen schenden van mensenrechten. Dat, terwijl het EVRM voor beide landen van toepassing is.  
In Turkije werd op 7 januari jl. de Nederlandse journalist Mehmet Ülger in Turkije aangehouden, omdat hij in het geniep foto’s had gemaakt tijdens een zitting in een Turkse rechtszaal .
De Nederlandse minister van buitenlandse zaken Bert Koenders, die bij toeval in Turkije verbleef,  was er als de kippen bij om de Turkse autoriteiten hierover op aan te spreken en hen te vertellen dat dit zo niet kan. Minister Koenders meent dat de Nederlandse journalist niet opgepakt mocht worden, omdat de desbetreffende journalist, ondanks een verbod door de Turkse rechtbank, wel degelijk het recht heeft een zitting op te nemen. Na het ingrijpen van minister Koenders, was de Nederlandse journalist dan ook binnen tweeënhalf uur weer vrijgelaten.
De Nederlandse staat mag geen journalisten discrimineren:  Als de Nederlandse staat meent dat de rechtszittingen openbaar moeten zijn en zelfs ingrijpt in het buitenland, als de journalisten daar geen opnames mogen maken, dan moet dat al helemaal het eigen Nederland gelden.
Het is niet juist dat Turkije inzake censuur op de vingers wordt getikt door onze minister van buitenlandse zaken en er in de Nederlandse rechtszalen die censuur gewoon plaats kan vinden.

In het geval dat Van den Ham de raadsheren niet zou hebben gewraakt, zou Van den Ham opgezadeld blijven zitten met raadsheren die een hekel hebben aan het bepaalde in artikel 6 EVRM. 

Op basis van de bovenstaande feiten, hier beschreven het partijdige handelen van de gewraakte raadsheren en het handelen van de raadsheren die in strijd is met het EVRM, word u gevraagd om de eis tot wraking van de drie raadsheren toe te wijzen.